De liefdesval - 2008

 

Vertaald door Gerda Meijerink
Paperback, 288 blz. € 12,50
978 90 5936 211 6

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Op het schilderij stond een meisje met een hagedis. Ze keken elkaar aan en keken elkaar niet aan, het meisje de hagedis met een dromerige blik, de hagedis het meisje met een uitdrukkingsloos, glanzend oog. Omdat het meisje met haar gedachten bij iets anders was, stond ze zo roerloos dat ook de hagedis stil was blijven staan op het met mos begroeide rotsblok, waar het meisje voorovergebogen half tegenaan leunde, half overheen lag. De hagedis tilde zijn kop op en bewoog zijn tongetje heen en weer.

‘Jodenmeisje’ zei de moeder van de jongen, wanneer ze het over het meisje op het schilderij had. Als zijn ouders ruzie hadden en zijn vader opstond en zich terugtrok in zijn werkkamer, waar het schilderij hing, riep ze hem na: ‘Ga jij maar naar je jodenmeisje!’ Of ze vroeg: ‘Moet dat schilderij met het jodenmeisje daar zo nodig hangen? Moet de jongen zo nodig onder het schilderij met het jodenmeisje slapen?’ Het schilderij hing boven de divan waarop de jongen zijn middagslaapje moest doen terwijl zijn vader de krant las.

Hij had zijn vader meer dan eens horen uitleggen dat het meisje geen jodenmeisje was. Dat het roodfluwelen mutsje op haar hoofd, stevig op haar dikke, bruine krullen gedrukt die er bijna door werden bedekt, geen religieus of folkloristisch attribuut was, maar mode. ‘Zo gingen meisjes in die tijd nu eenmaal gekleed. Bovendien hebben bij de joden de mannen keppeltjes op en de vrouwen niet.’

Het meisje droeg een donkerrode rok en over haar lichtgele blouse een donkergeel bovenstukje dat op haar rug als een keurslijfje losjes met linten was dichtgebonden. Het rotsblok waar het meisje haar kinderlijk ronde armen op had gelegd en waarop haar kin rustte, liet niet veel zien van haar kleren en haar lichaam. Ze zou een jaar of acht kunnen zijn. Haar gezicht was een kindergezicht. Maar de uitdrukking van haar ogen, haar volle lippen, haar over haar rug en schouders vallende krullen waren niet kinderlijk, maar vrouwelijk. De schaduw die het haar op haar wang en slaap wierp, was een geheim, en het donker van de wijde mouw waarin haar blote bovenarm verdween, een verleiding. De zee, die zich achter het rotsblok en een stuk strand tot aan de horizon uitstrekte, kwam met hoge golven aanrollen en door donkere wolken brak zonlicht en liet een deel van de zee schitteren en het gezicht en de armen van het meisje glanzen. De natuur was vervuld van hartstocht.

Of was alles ironie? De hartstocht, de verleiding, het geheim en de vrouw in het kind? Was de ironie de reden dat het schilderij de jongen niet alleen fascineerde maar ook in verwarring bracht? Hij was vaak in verwarring. Hij was in verwarring wanneer zijn ouders ruzie hadden, wanneer zijn moeder bitse vragen stelde en wanneer zijn vader een sigaar rookte, de krant las en een ontspannen en superieure indruk probeerde te maken, terwijl de sfeer in de werkkamer zo geladen was dat de jongen zich niet durfde bewegen en nauwelijks adem durfde halen. En het smalende gepraat van zijn moeder over het jodenmeisje was verwarrend. De jongen had geen idee wat een jodenmeisje was.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
Naar Cossee.com