De thuiskomst - 2006

 

Vertaald door Wil Hansen
Gebonden, 384 blz. € 15,00
978 90 5936 103 4

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

In mijn jeugd was ik elke vakantie bij mijn grootouders in Zwitserland. Mijn moeder bracht me naar het station en zette me op de trein, en als ik geluk had kon ik blijven zitten tot ik na een reis van zes uur arriveerde op het station waar mijn opa me stond op te wachten. Als ik pech had, moest ik bij de grens overstappen. Op een keer zat ik huilend in de verkeerde trein, tot een vriendelijke conducteur mijn tranen droogde en me na een paar stations op een andere trein zette en me toevertrouwde aan de volgende conducteur, die me op dezelfde wijze aan de daaropvolgende doorgaf, zodat ik door een estafetteploeg van conducteurs naar het einddoel werd gebracht.

Ik genoot van die treinreizen: de voorbijtrekkende landschappen en plaatsen, de geborgenheid van de coupé, mijn zelfstandigheid. Ik beschikte over kaartje en paspoort, proviand en lectuur, ik had verder niemand nodig en hoefde me door niemand iets te laten gezeggen. In de Zwitserse treinen miste ik de coupés. Daar stond tegenover dat ik altijd aan het raam of aan het gangpad zat en niet hoefde te vrezen in het midden ingeklemd te raken. Bovendien was het lichte hout van de Zwitserse stoelen chiquer dan het Duitse roodbruine plastic, zoals ook de grijze wagons, het drietalige opschrift ‘sbb – cff – ffs’ en het wapen met het witte kruis in het rode vlak eleganter waren dan het vuilgroene opschrift ‘db’. Ik ging er prat op een halve Zwitser te zijn, ook al waren de sjofele Duitse treinen me vertrouwder, evenals de sjofele Duitse stad waar mijn moeder en ik woonden, en de sjofele Duitse mensen in onze omgeving in wier buurt we leefden.

Het station in de grote stad aan het meer waar ik moest uitstappen, was een kopstation. Ik hoefde alleen maar het perron af te lopen en kon mijn opa niet over het hoofd zien: groot en sterk, donkere ogen, ruige witte snor en kaal hoofd, een licht linnen jasje, strohoed en wandelstok. Hij straalde vertrouwen uit. Hij is voor mij altijd groot gebleven, ook toen ik boven hem uittorende, en altijd sterk, ook toen hij een stok nodig had. Zelfs toen ik al student was, pakte hij me onder het lopen af en toe bij de hand. Het maakte me verlegen, maar pijnlijk vond ik het niet. Mijn grootouders woonden een paar plaatsen verderop aan het meer, en als het mooi weer was namen mijn opa en ik niet de trein, maar de boot. Het meest hield ik van de grote oude raderboot, waar je in het midden de vettig glanzende bronzen en stalen stangen en zuigers van de machine aan het werk zag.

De boot had verschillende dekken, open en gesloten. Wij stonden op het voorste open dek, zogen de wind in, en zagen op de oever stadjes opduiken en verdwijnen, meeuwen om de boot krijsen, zeilboten op het meer met hun bolle zeilen pronken en waterskiërs hun kunststukjes uitvoeren. Soms zagen we achter de bergen de Alpen, en opa noemde de namen van de toppen. Ik vond het elke keer weer een wonder dat de lichtstraat die de zon op het water wierp, rustig fonkelend in het midden en chaotisch versplinterend aan de randen, meeliep met de boot. Ik ben er zeker van dat opa me toen al heeft uitgelegd dat dit optisch klopt. Maar ik vind het ook nu nog telkens een wonder. De lichtstraat begint altijd waar ik juist op dat moment ben.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
Naar Cossee.com