De voorlezer - 1996

 

Vertaald door Gerda Meijerink
Gebonden, 208 blz. € 15,00
978 90 5936 030 3

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

Ook verkrijgbaar als eboek ISBN 978 90 5936 521 6
€ 9,95 | klik om te bestellen

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 
- Gebonden editie
- Luisterboek
- Paperback
 

Toen ik vijftien was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en eindigde in het voorjaar. Hoe kouder en donkerder het oude jaar werd, hoe ellendiger ik me voelde. Pas met het nieuwe jaar ging het de goede kant op. Januari was warm en mijn moeder maakte een bed voor me op het balkon. Ik zag de hemel, de zon, de wolken en hoorde de kinderen spelen op de binnenplaats. Vroeg op een avond in februari hoorde ik een merel zingen.

Mijn eerste wandeling bracht me van de Blumenstrasse, waar we op de tweede verdieping woonden van een kast van een huis dat rond de eeuwwisseling was gebouwd, naar de Bahnhofstrasse. Daar had ik op een maandag in oktober op weg van school naar huis staan overgeven. Al dagenlang had ik me ellendig gevoeld, ellendiger dan ooit in mijn leven. Elke stap kostte me inspanning. Als ik thuis of op school een trap op liep, konden mijn benen me nauwelijks dragen. Ik had ook geen zin in eten. Zelfs als ik hongerig aan tafel ging, voelde ik algauw weerzin opkomen.

's Ochtends werd ik wakker met een droge mond en met het gevoel alsof mijn organen zwaar en verkeerd in mijn lijf lagen. Ik schaamde me dat ik er zo ellendig aan toe was. Ik schaamde me vooral toen ik stond over te geven. Ook dat was me mijn hele leven nog nooit overkomen. Mijn mond liep vol, ik probeerde het weg te slikken, perste mijn lippen op elkaar, hand voor mijn mond, maar het golfde mijn mond uit en tussen mijn vingers door. Toen zocht ik steun tegen de huismuur, keek naar het braaksel aan mijn voeten en kokhalsde alleen nog maar slijm.

De vrouw die zich over mij ontfermde deed dat bijna ruw. Ze pakte mijn arm en leidde me door de donkere gang naar de binnenplaats. Boven waren van raam tot raam drooglijnen gespannen en hing was. Op de binnenplaats lag hout opgeslagen; in een werkplaats waarvan de deur openstond, snerpte een zaag en vlogen de spaanders in het rond. Naast de deur naar de binnenplaats was een kraan. De vrouw draaide de kraan open, waste eerst mijn hand en smeet toen het water dat ze met haar holle handen opving in mijn gezicht. Ik droogde mijn gezicht af met mijn zakdoek.

'Neem jij de andere!' Naast de kraan stonden twee emmers, ze pakte er een en liet hem vollopen. Ik pakte de andere emmer, vulde die en volgde haar door de gang. Ze haalde wijd uit, het water kletste op het trottoir en spoelde het braaksel in de goot. Ze nam de emmer uit mijn hand en liet nog een plens water over het trottoir lopen.

Ze richtte zich op en zag dat ik huilde. 'Jochie,' zei ze verbaasd, 'jochie.' Ze sloeg haar armen om me heen. Ik was nauwelijks groter dan zij, voelde haar borsten tegen mijn borst, rook in de benauwenis van de omarming mijn slechte adem en haar verse zweet en wist niet wat ik met mijn armen moest doen. Ik hield op met huilen.

Ze vroeg me waar ik woonde, zette de emmers in de gang en bracht me naar huis. Ze liep naast me, in haar ene hand mijn schooltas en in haar andere mijn arm. Het is niet ver van de Bahnhofstrasse naar de Blumenstrasse. Ze liep snel en met een vastberadenheid die het me gemakkelijk maakte om haar bij te houden. Voor ons huis nam ze afscheid.

Dezelfde dag liet mijn moeder de dokter komen, die geelzucht constateerde. Ik moet mijn moeder over die vrouw hebben verteld. Ik geloof niet dat ik haar anders zou hebben bezocht. Maar voor mijn moeder was het vanzelfsprekend dat ik, zodra ik kon, van mijn zakgeld een bos bloemen zou kopen en haar zou gaan opzoeken om haar te bedanken. Zo ging ik eind februari naar de Bahnhofstrasse.

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
Naar Cossee.com