De vrouw op de trap - 2014

 

Vertaald door Gerda Meijerink
Gebonden, 288 blz. € 19,95
978 90 5936 525 4

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

Ook verkrijgbaar als eboek ISBN 978 90 5936 526 1
€ 14,95 | klik om te bestellen

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

1

Misschien kunt u het schilderij een keer bekijken. Lang spoorloos, opeens opgedoken – geen museum dat het niet wil laten zien. Karl Schwind is momenteel immers een van de beroemdste en duurste schilders ter wereld. Toen hij zeventig werd, kwam ik hem in alle tijdschriften en op alle kanalen tegen. Wel moest ik lang kijken voordat ik in de oude man de jonge herkende.

Het schilderij herkende ik meteen. Ik betrad de laatste zaal van de Art Gallery, en daar hing het en het raakte me net als toen ik lang geleden in de salon van huize Gundlach het schilderij voor de eerste keer zag.

Een vrouw daalt een trap af. Haar rechtervoet rust op de onderste trede, haar linker raakt nog de trede erboven maar staat al op het punt de volgende stap te doen. De vrouw is naakt, haar lichaam bleek, schaamhaar en hoofdhaar zijn blond, het hoofdhaar glanst in het licht van een lamp.

Naakt, bleek, blond – tegen een grijsgroene achtergrond van vage traptreden en wanden komt de vrouw de beschouwer met zwevende lichtheid tegemoet. Tegelijkertijd heeft ze met haar lange benen, ronde volle heupen en stevige borsten een zinnelijke gewichtigheid.

Ik liep langzaam naar het schilderij toe. Ik was beschroomd, ook dat was net als toen. Destijds was ik beschroomd omdat de vrouw, die de vorige dag op mijn kantoor in spijkerbroek, topje en jasje tegenover me had gezeten, mij op het schilderij naakt tegemoet trad. Nu was ik beschroomd omdat het schilderij me herinnerde aan wat er destijds was voorgevallen, aan waarmee ik me destijds had ingelaten en wat ik al snel uit mijn geheugen had verbannen.

Vrouw op een trap stond op het bordje naast het schilderij, en ook dat het in bruikleen was gegeven. Ik vond de curator en vroeg hem wie het schilderij aan de Art Gallery had uitgeleend. Hij zei dat hij de naam niet mocht noemen. Ik zei dat ik de vrouw op het schilderij en de eigenaar ervan kende en voorspelde hem dat er heibel zou komen over het eigendomsrecht van het schilderij. Hij fronste zijn voorhoofd maar hield vol dat hij de naam niet mocht noemen.

2

Mijn retourvlucht naar Frankfurt stond geboekt op donderdagmiddag. Nadat de onderhandelingen in Sydney op woensdagochtend waren afgerond, had ik kunnen omboeken naar woensdagmiddag. Maar ik wilde de rest van de dag in de Botanische Tuin doorbrengen.

Ik wilde daar de lunch gebruiken, in het gras liggen en ’s avonds in de Opera Carmen beluisteren. Ik houd van de Botanische Tuin, waaraan in het noorden een kathedraal en in het zuiden de Opera grenzen, waar de Art Gallery en het conservatorium zijn en waar je vanaf de heuvels uitkijkt over de baai.

De tuin heeft een palmen-, een rozen‑ en een kruidentuin, vijvers, pergola’s, beelden en veel gazons met oude bomen, opa’s en oma’s met kleinkinderen, eenzame vrouwen en mannen met hun honden, picknickende groepjes, verliefde stelletjes, lezende en slapende mensen. Op de galerij van het restaurant in het midden van de tuin heeft de tijd stilgestaan: oude ijzeren zuilen, een oude ijzeren balustrade en uitzicht op bomen met vliegende honden en een fontein met vogels met bonte veren en lange kromme snavels.

Ik bestelde het eten en belde mijn collega. Hij had de fusie van de beide ondernemingen aan Australische zijde voorbereid en ik aan Duitse. Wij waren, zoals dat gaat bij bedrijfsfusies, zowel partners als concurrenten. Maar we hadden dezelfde leeftijd, allebei senior bij een van de laatste grote advocatenkantoren die nog niet door de Amerikanen of Engelsen zijn overgenomen, allebei weduwnaar en we mochten elkaar. Ik informeerde naar het detectivebureau waar zijn kantoor gebruik van maakt en hij noemde het mij.

‘Is er een probleem waarbij wij kunnen helpen?’
‘Nee, alleen een oude nieuwsgierigheid die ik wil bevredigen.’

Ik belde het detectivebureau. Aan wie het schilderij van Karl Schwind in de Art Gallery of New South Wales toebehoorde, wilde ik weten, aan een zekere Irene Gundlach of aan een voormalige Irene Gundlach, en of er een vrouw met die naam in Australië woonde. De directeur van het detectivebureau hoopte het mij over een paar dagen te kunnen zeggen. Ik beloofde hem een premie als hij het mij de volgende ochtend al kon vertellen.

Hij lachte. Bij de Art Gallery zou hij vandaag de informatie krijgen of anders duurde het een paar dagen, een premie had daar geen invloed op. Hij zou zich melden.
Toen kwam het eten en bij het eten bestelde ik een fles wijn die ik niet helemaal wilde leegdrinken en toch helemaal leegdronk.

Af en toe werden de vliegende honden wakker, allemaal tegelijk, vlogen ruisend van de takken en rond de bomen, gingen weer aan de takken hangen en hulden zich in hun vleugels. Af en toe liet een van de bonte vogels bij de fontein een kreet horen. Af en toe schreeuwde een kind of blafte een hond of klonk het gebabbel van een groep Japanners, als het gekwetter van een zwerm vogels, tot mij door. Af en toe hoorde ik alleen het sjirpen van de cicaden.

Op de heuvel onder het conservatorium ging ik in het gras liggen. In mijn pak – het idee later in een gekreukt, wellicht vlekkig pak rond te lopen, dat me anders zorgen zou hebben gebaard, baarde me geen zorgen.

Vervolgens liet het me ook koud wat me in Duitsland wachtte. Er was niets wat ik zou kunnen verzuimen en niets waarbij men niet zonder mij zou kunnen. Bij alles wat vóór me lag was ik vervangbaar. Niet vervangbaar was ik alleen bij wat achter me lag.

3

Eigenlijk was ik liever geen advocaat geworden maar rechter. Ik was met lof afgestudeerd, wist dat er vraag was naar rechters, was bereid te verhuizen naar waar ze me nodig hadden en beschouwde het sollicitatiegesprek op het ministerie van Justitie als een formaliteit. Het vond plaats op een namiddag.

De personeelsfunctionaris was een oude heer met vriendelijke ogen. ‘U hebt op uw zeventiende eindexamen gymnasium gedaan, op uw negentiende uw kandidaats gehaald en bent op uw tweeëntwintigste afgestudeerd – ik heb nog nooit zo’n jonge en zelden zo’n goede sollicitant gehad.’

Ik was trots op mijn goede cijfers en mijn jeugdige leeftijd. Maar ik wilde een bescheiden indruk maken. ‘Ik ben vervroegd naar school gegaan, en de wijzigingen van het begin van het schooljaar, een keer van het voorjaar naar de herfst en toen nog een keer van de herfst naar het voorjaar hebben me twee halve jaren opgeleverd.’

Hij knikte. ‘Twee halve jaren in de schoot geworpen. En nog een halfjaar cadeau gekregen omdat u na uw kandidaats meteen door kon studeren. U hebt heel veel tijd tegoed.’

‘Ik begrijp niet...’
‘Nee? Hij keek mij vriendelijk aan. ‘Als u volgende maand begint, zult u drieënveertig jaar lang over anderen oordelen. U zult boven zitten en de anderen beneden, u zult hen aanhoren, met hen praten, hun ook wel eens een glimlach schenken, maar uiteindelijk van boven af beslissen wie recht heeft gedaan en wie onrecht en wie zijn vrijheid verliest en wie die behoudt. Wilt u dat – drieënveertig jaar lang boven zitten, drieënveertig jaar lang gelijk hebben? Denkt u dat u dat goed zal doen?’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ja, de voorstelling was me bevallen als rechter boven te zitten en rechtvaardig met de anderen te onderhandelen en rechtvaardig over hen te beslissen. Waarom niet drieënveertig jaar lang?

Hij sloot de map die voor hem lag. ‘Natuurlijk nemen we u, als u dat werkelijk wilt. Maar vandaag doe ik dat niet. Kom volgende week terug, mijn opvolger moet u aanstellen. Of kom over anderhalf jaar terug, als u uw tegoed hebt opgebruikt. Of over vijf jaar, als u de wereld van het recht als advocaat of juridisch adviseur van onderen hebt leren kennen.’

Hij stond op en ik stond ook op, verward en sprakeloos, keek toe hoe hij zijn jas uit de kast haalde en over zijn arm legde, liep met hem de kamer uit, de gang door, de trap af en stond ten slotte met hem voor het ministerie.

‘Merkt u de zomer in de lucht? Het duurt niet lang meer of we hebben hete dagen en lauwe avonden en warme onweersbuien.’ Hij glimlachte. ‘Moge God u behoeden.’

Ik was gekrenkt. Ze willen me niet? Dan wilde ik hen ook niet. Ik werd advocaat, niet wegens het advies van de oude heer, maar ertegenin. Ik verhuisde naar Frankfurt, ging werken bij Karchinger en Kunze, een advocatenkantoor met vijf partners, schreef naast mijn werk als advocaat een proefschrift en werd na drie jaar partner, de jongste bij een Frankfurts advocatenkantoor.

Daar was ik trots op. Karchinger en Kunze waren school‑ en studievrienden, Kunze zonder vrouw en kinderen, Karchinger met een vrolijke vrouw uit het Rijnland en een zoon van mijn leeftijd die op een dag een plaats zou krijgen op het kantoor, zich door zijn studie worstelde en door mij op het doctoraalexamen werd voorbereid. We kunnen gelukkig goed met elkaar opschieten. Tegenwoordig is hij senior, net als ik, en wat hij aan juridische competentie mist, compenseert hij door zijn sociale vaardigheden. Hij heeft ons belangrijke cliënten bezorgd. Dat we nu zeventien jonge partners en achtendertig medewerkers in vaste dienst hebben, is ook zijn verdienste.

4

De eerste jaren kreeg ik zaken waarin Karchinger en Kunze niet geïnteresseerd waren. Een schilder die een opdracht had afgeleverd, ervoor betaald was en nu met de opdrachtgever overhoop lag – dat gaf de ervaren chef de bureau aan mij, zonder Karchinger of Kunze te raadplegen.

Karl Schwind kwam niet alleen. Met hem, hij was begin dertig, kwam een vrouw, begin twintig, en terwijl hij met verward haar en slobberbroek bij de zomer van 1968 paste, wekte zij met haar onberispelijkheid aan zijn zijde de indruk van een vreemdeling. Ze gedroeg zich ontspannen, nam me koel op, en als de schilder zich opwond, legde ze haar hand op zijn arm.

‘Hij laat me geen foto’s maken.’
‘U...’
‘Mijn portfolio is vernietigd, en van sommige schilderijen moet ik nieuwe foto’s maken. Ik weet wie ze heeft gekocht, bel de kopers en ze laten me komen om de schilderijen te fotograferen. Ze zijn blij met mijn bezoek. Hij weigert.’

‘Waarom?’
‘Hij vertelt niet waarom. Ik heb hem opgebeld, hij hing op, en op een brief heeft hij niet geantwoord.’ Hij hief zijn handen, liet ze vallen, spreidde zijn vingers en maakte een vuist. Hij had grote handen. Zoals alles aan hem groot was, lichaam, gezicht, ogen, neus, mond. ‘Ik hang aan mijn schilderijen. Ik kan nauwelijks verdragen dat ik ze moet verkopen.’

Ik legde hem uit dat de wet de schilder die foto’s wil maken het recht op toegang tot zijn schilderij geeft. ‘Als hij er een overtuigend belang bij heeft en er geen overtuigende belangen van de eigenaar tegenover staan. Is er iets wat de eigenaar tegen u kan inbrengen?’

De schilder stak zijn kin naar voren, perste zijn lippen op elkaar en schudde zijn hoofd. Ik keek de vrouw vragend aan en ze haalde glimlachend haar schouders op. Hij gaf me de naam van de eigenaar van het schilderij, Peter Gundlach, en het adres op een prominente locatie in de heuvels van de Taunus.

‘Hoe is uw portfolio vernietigd? Niet dat het van groot belang is, maar als ik kan uitleggen waarom...’

Weer onderbrak hij me, en dat nam ik mijzelf kwalijk, zoals ik mijzelf destijds altijd alles kwalijk nam waarbij ik me niet zo liet gelden als ik van mijzelf verwachtte.
‘Ik heb een ongeluk gehad, en het portfolio is met de auto verbrand.’
‘Ik hoop...’
‘Mij is niets overkomen. Maar Irene zat ingeklemd en heeft,’ hij legde zijn hand op haar been, ‘brandwonden opgelopen.’
‘Dat spijt...’
Hij maakte een afwijzend gebaar. ‘Niets ernstigs en allang weer genezen.’

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
Naar Cossee.com