Zomerleugens - 2010

 

Vertaald door Nelleke van Maaren
Gebonden, 272 blz. € 19,90
978 90 5936 300 7

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
Ook verkrijgbaar in jubileumeditie
 
 

Vertaald door Nelleke van Maaren
Gebonden in linnen, 272 blz.
€ 12,50
978 90 5936 360 1

Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop

 
- Titelpagina
- Leesfragment
- Recensies
 

Voor de douane moesten ze afscheid nemen. Maar omdat alle desks en controleposten op het kleine vliegveld zich in dezelfde ruimte bevonden, kon hij haar met zijn blik volgen toen ze haar tas op de band legde, door het detectiepoortje ging, haar instapkaart liet zien en naar het vliegtuig werd gebracht. Het stond direct achter de glazen deur op de taxibaan.

Ze keek steeds om en zwaaide. Op de trap van het vliegtuig draaide ze zich voor het laatst om, lachte en huilde en legde haar hand op haar hart. Toen ze in het vliegtuig verdween, zwaaide hij naar de kleine raampjes, maar hij wist niet of ze hem zag. Toen werden de motoren gestart, de propellers draaiden, het vliegtuig begon te rijden, steeds sneller, en steeg op.

Zijn vlucht ging pas over een uur. Hij haalde koffie en een krant en installeerde zich op een bank. Sinds ze elkaar hadden leren kennen, had hij geen krant meer gelezen en geen kop koffie meer alleen gedronken. Toen hij na een kwartier nog steeds geen regel had gelezen en geen slok had gedronken, dacht hij: ik ben het alleen-zijn verleerd. Die gedachte beviel hem.

2

Dertien dagen geleden was hij aangekomen. Het seizoen was afgelopen en daarmee ook het mooie weer. Het regende, en hij bracht de middag door met een boek op de overdekte veranda van zijn bed & breakfast. Toen hij zich de volgende dag in het slechte weer schikte en in de regen over het strand naar de vuurtoren liep, kwam hij de vrouw eerst op de heenweg en later op de terugweg tegen. Ze glimlachten naar elkaar, nieuwsgierig bij de eerste en al een beetje vertrouwd bij de tweede keer. Zover het oog reikte waren zij de enige wandelaars, en deelgenoten in lijden en vreugde; beiden zouden ze liever een heldere, blauwe hemel hebben gehad, maar ze genoten van de zachte regen.

’s Avonds zat ze alleen op het terras van het populaire visrestaurant, dat met een plastic dak en plastic vensters al klaargemaakt was voor de herfst. Voor haar stond een vol glas en ze las een boek – een teken dat ze nog niet gegeten had en niet op haar man of vriend wachtte? Besluiteloos bleef hij in de deuropening staan, totdat ze opkeek en vriendelijk tegen hem lachte. Toen raapte hij zijn moed bij elkaar, liep naar haar tafeltje en vroeg of hij erbij mocht komen zitten.
‘Natuurlijk,’ zei ze en legde haar boek weg.

Hij ging zitten, en omdat zij al had besteld, kon ze hem adviseren. Hij koos de kabeljauw die zij ook had genomen. Vervolgens wisten ze allebei niet hoe ze een gesprek moesten beginnen. Het boek hielp niet, het lag zo dat hij de titel niet kon lezen. Ten slotte zei hij: ‘’t Heeft toch wel wat, zo’n late vakantie op de Cape.’
‘Omdat het zulk mooi weer is?’ Ze lachte.

Dreef ze de spot met hem? Hij keek haar aan – geen mooi gezicht, te kleine ogen en een kin die te groot was, maar haar gezicht stond vrolijk, niet spottend, misschien een beetje onzeker. ‘Omdat je het strand voor jezelf hebt. Omdat in restaurants waar in het seizoen geen tafeltje vrij is, nu plaats is. Omdat je met weinig mensen minder alleen bent dan met veel.’
‘Komt u altijd als het seizoen voorbij is?’

‘Ik ben hier voor het eerst. Eigenlijk moet ik werken. Maar mijn vinger wil nog niet, en die kan zijn oefeningen hier net zo goed doen als in New York.’ Hij bewoog de pink van zijn linkerhand heen en weer, boog en strekte hem.
Verwonderd keek ze naar de pink. ‘Waar oefent die voor?’
‘Voor de fluit. Ik speel in een orkest. En u?’

‘Ik heb pianoles gehad, maar ik speel nog maar zelden.’ Ze bloosde. ‘Ik ben als kind hier vaak met mijn ouders geweest en heb soms heimwee. En als het seizoen is afgelopen, heeft de Cape de charme die u zojuist hebt beschreven. Alles is leger, rustiger – ik houd daarvan.’
Hij zei niet dat hij zich een vakantie tijdens het seizoen niet kon veroorloven, en ging ervan uit dat hetzelfde voor haar gold. Ze droeg sportschoenen, een spijkerbroek en een sweatshirt, en over de rugleuning van haar stoel hing een verbleekte oliejas. Toen ze samen de wijnkaart bestudeerden, stelde ze een goedkope fles Sauvignon Blanc voor. Ze vertelde over Los Angeles, over haar werk bij een stichting die gettokinderen toneel liet spelen, over een leven zonder winter, over het geweld van de Pacific, over het verkeer. Hij vertelde van zijn val over een verkeerd gelegde kabel waarbij hij zijn vinger had gebroken, van de gebroken arm bij de sprong uit het raam toen hij negen was en van het gebroken been bij het skiën op zijn dertiende. Eerst zaten ze alleen op het terras, toen kwamen er andere gasten, en daarna zaten ze met een tweede fles wijn weer alleen. Toen ze door het raam keken, lagen zee en strand in het duister. De regen ruiste op het dak.
‘Wat bent u morgen van plan?’

‘Ik weet dat u in uw bed & breakfast ontbijt krijgt. Maar wat dacht u van ontbijt bij mij?’
Hij bracht haar naar huis. Onder de paraplu gaf ze hem een arm. Ze praatten niet. Haar kleine huisje lag aan de straat waaraan anderhalve kilometer verderop zijn bed & breakfast was. Voor de deur ging het licht vanzelf aan, en ze zagen elkaar te plotseling te fel. Ze omhelsde hem even en gaf hem een zweem van een kus. Voor ze de deur dicht deed, zei hij: ‘Ik heet Richard. Hoe heet…’
‘Ik heet Susan.’

 
 
 
 
 
copyright (c) 2016 Uitgeverij Cossee - www.cossee.com
 
Naar Cossee.com