Bernhard Schlink
Boeken
BIBLIOGRAFIE

Boeken
VERSCHENEN BIJ COSSEE
De oude zonden

De oude zonden

Bernhard Schlink

ISBN: 9789059360877
Bindwijze: Paperback
Datum: 18-05-2005
Omvang: 640
Prijs: €15.00,-
Hij eet graag kersentaart met slagroom en steekt daarna met evenveel genoegen een Sweet Afton op. Gerhard Selb, zestig jaar, priv̩-detective, schaker, kattenvriend, heeft zo zijn gewoonten Рen waarom ook niet.

Hij eet graag kersentaart met slagroom en steekt daarna met evenveel genoegen een Sweet Afton op. Gerhard Selb, zestig jaar, priv̩-detective, schaker, kattenvriend, heeft zo zijn gewoonten Рen waarom ook niet.

Alles om hem heen verandert in een ras tempo en hij vreest de naderende ouderdom. Drie, vier opdrachten per jaar is alles wat er voor hem nog inzit.

Na de oorlog wil niemand meer iets met hem, de ex-nazi-jurist Selb, te maken hebben, maar tegen de tijd dat de nazi-rechters weer op hun oude pluche terugkeren, wil hij op zijn beurt niets meer van zijn vroegere collega's weten. Niettemin lijkt het telkens weer alsof hij niet genoeg geboet heeft voor zijn oude zonden: zijn verleden blijft hem bij elke zaak achtervolgen, bij een aanslag door anarcho-terroristen, bij een milieuschandaal, bij het faillissement van een bekende bank.

Een oudere heer, Gerhard Selb, wordt in zijn bescheiden carri̬re als priv̩-detective telkens weer geconfronteerd met het verleden van zijn land Рeen personage zoals alleen Bernhard Schlink beschrijven kan. De drie romans die hij aan Selb wijdt, schetsen een indringend beeld van vijftig jaar geschiedenis, de moeilijke naoorlogse jaren, de wederopbouw, het optimistische 'vooruit', de tegenslagen. Bij elke nieuwe zaak die Selb moet oplossen, blijven de oude kwesties spelen, de vragen naar schuld en boete, rouw en vergeving. Schlink vertelt daarover met hetzelfde raffinement als in De voorlezer, de roman waarmee hij wereldroem verwierf.

Walter Popp (1948), co-auteur van het eerste boek Eigen recht, was jurist en werkt nu als vertaler.



Fragment


In het begin heb ik hem benijd. Dat was op school, op het Friedrich Wilhelm-gymnasium in Berlijn. Ik droeg de pakken van mijn vader af, had geen vrienden en kwam het wandrek niet op. Hij was de beste leerling van de klas, ook met gymnastiek, werd voor elke verjaardag uitgenodigd en als de leraren 'u' tegen hem zeiden, meenden ze het. Soms kwam de chauffeur van zijn vader hem afhalen met de Mercedes. Mijn vader werkte bij de Rijksspoorwegen en was in 1934 juist overgeplaatst van Karlsruhe naar Berlijn.

Korten heeft een hekel aan ondoelmatigheid. Hij leerde me hoe ik op de brug een reuzenzwaai en een salto moest maken. Ik bewonderde hem. Hij liet me ook zien hoe je het met meisjes aanlegt. Ik liep als een dombo naast het meisje dat een verdieping lager woonde en op het Luise-lyceum zat, tegenover het Friedrich Wilhelm-gymnasium, en was helemaal weg van haar. Korten kuste haar in de bioscoop.

We zijn vrienden geworden, hebben samen gestudeerd, hij economie en ik rechten, en in de villa aan de Wannsee was ik kind aan huis. Toen zijn zusje Klara en ik trouwden, was hij getuige en gaf me het bureau cadeau dat ook nu nog in mijn kantoor staat, zwaar eiken met houtsnijwerk en messingknoppen.

Ik zit tegenwoordig zelden aan dat bureau. Mijn beroep brengt met zich mee dat ik veel langs de weg zit, en als ik 's avonds nog even langsga op kantoor, liggen er geen stapels dossiers op mijn bureau. Alleen het antwoordapparaat wacht op me en deelt me in het kleine venstertje mee hoeveel berichten er zijn ingesproken. Dan zit ik aan het lege werkblad en speel met een potlood en beluister wat ik moet doen en laten, wat ik ter hand moet nemen en waar ik maar beter van af kan blijven. Ik brand mijn vingers niet. Maar met je vingers kun je ook klem komen te zitten tussen de bureaula als je daar al heel lang niet meer in hebt gekeken.

De oorlog was voor mij na vijf weken voorbij. Een schotwond had ervoor gezorgd dat ik naar huis werd gestuurd. Drie maanden later deed ik examen voor een hogere ambtenarenbaan. Toen Korten in 1942 bij de Rheinische Chemiewerke in Ludwigshafen begon en ik bij het openbaar ministerie in Heidelberg en we nog geen onderdak hadden, deelden we een paar weken lang een hotelkamer. In 1945 was het uit met mijn carrière bij het openbaar ministerie en kreeg ik mijn eerste opdrachten uit het bedrijfsleven. Hij begon toen juist op te klimmen, had weinig tijd, en na Klara's overlijden hielden ook de bezoekjes met kerst en ter gelegenheid van verjaardagen op. We verkeren in verschillende kringen en ik lees meer over hem dan ik van hem hoor. Soms lopen we elkaar tegen het lijf bij een concert of in het theater en dan weten we precies wat we aan elkaar hebben. We zijn nu eenmaal oude vrienden.

Toen... ik herinner me die ochtend nog heel goed. De wereld lag aan mijn voeten. Mijn reuma liet me met rust, mijn hoofd was helder en in mijn nieuwe blauwe pak zag ik er jong uit - dat vond ik tenminste zelf. De wind dreef de vertrouwde chemische stank niet in de richting van Mannheim, maar in de richting van de Pfalz. Bij de bakker om de hoek hadden ze chocoladecroissants en ik ontbeet op het trottoir in de zon. Een jonge vrouw kwam door de Mollstrasse aanlopen, kwam steeds dichterbij en werd almaar knapper, ik zette mijn plastic boodschappentas op de vensterbank en volgde haar. Na een paar stappen stond ik voor mijn kantoor in de Augusta-Anlage.

Ik ben trots op mijn kantoor. In de deur en de etalage van de voormalige tabakszaak heb ik matglas laten zetten en daarop in eenvoudige gouden letters: Gerhard Selb, Privé-detective.

Op het antwoordapparaat stonden twee berichten. De zakelijk directeur van Goedecke had een rapport nodig. Ik had zijn filiaalleider betrapt op bedrog en die had zijn ontslag aangevochten bij de kantonrechter. Het andere bericht was van mevrouw Schlemihl van de Rheinische Chemiewerke met het verzoek haar terug te bellen.

'Goedemorgen, mevrouw Schlemihl. Met Selb. U wilde me spreken?'
'Goedemorgen, doctor. Meneer Korten, onze president-directeur, wil u spreken.' Niemand behalve mevrouw Schlemihl spreekt me aan met 'doctor'. Sinds ik geen officier van justitie meer ben maak ik niet langer gebruik van mijn titel, een gepromoveerde privé-detective is belachelijk. Maar als goede directiesecretaresse is mevrouw Schlemihl nooit vergeten hoe Korten me aan haar had voorgesteld bij onze eerste ontmoeting in het begin van de jaren vijftig.

'Waar gaat het om?'
'Dat wil hij u graag tijdens de lunch in Kasino meedelen. Komt halfeen u uit?'


Quotes


'Wie deze meeslepende trilogie begint te lezen, weet van geen ophouden.' - Elsevier